• De échte uitdaging

    Onafhankelijk.jpgVia Twitter bereikte mij enkele opmerkingen over mijn artikeltje ‘Aartsmoeilijk, maar voor wie?’. Het was te kritisch, zuur tegenover Bart De Wever en ik ‘vergis me van vijand’. Een antwoord hierop leek me niet echt mogelijk in 140 tekens, vandaar dit vervolgstukje.

    De mensen die bezorgd zijn over het geestelijke welbevinden van Bart De Wever kan ik alvast geruststellen. Ik ken Bart al vele jaren. Hij kan heus wel tegen kritiek, hij is niet echt geïnteresseerd in wat Wim Wienen over zijn politieke parcours denkt en in de drukte van ‘s mans bestaan heeft hij geen tijd om mijn blog te lezen (als hij dat überhaupt al zou willen mocht hij wel tijd hebben).

    Maar inhoudelijk dan. De goede lezer heeft gisteren alvast gemerkt dat dit geen kritiek is. Dat dit geen aanval op Bart De Wever of de N-VA (eigenlijk een en hetzelfde) is. Het is zelfs geen leedvermaak of hoop om Bart te zien falen. Zelfs ondanks de vele ergernissen die ik heb over de weg die de N-VA bewandelt. Het stukje is gewoon een hoogstpersoonlijke analyse van de gebeurtenissen van de afgelopen maanden. Een oplijsting van de problemen die het pad van De Wever kruisen.

    Wel, als Vlaams-nationalist word je niet vrolijk van het huidige politieke situatie. Laten we er voor de discussie vanuit gaan dat er twee Vlaams-nationale partijen zijn. Partijen die gaan voor een onafhankelijke Vlaanderen (de ene zo snel mogelijk, de andere als er een draagvlak voor is). Dan moet je je de vraag durven stellen hoe ver we intussen staan op weg naar dat onafhankelijke Vlaanderen. Mijn antwoord is: niet echt ver. Een niet onverstandig man spreekt zelf van reeds 100 jaar stilstand.

    Mijn moeder zaliger sprak vroeger (weliswaar tot 1991) over de VU als de grote (electoraal grote) Vlaams-nationale partij. De geschiedenis heeft uitgewezen dat die partij niet zo Vlaams-nationaal was, maar uiteindelijk ook niet groot. De recordscores van de Volksunie in de jaren zestig van de vorige eeuw werden al lang verbeterd door het Vlaams Blok in 2004. De recordscore van 25% van het Vlaams Blok werd op zijn beurt weer geklopt door N-VA. Maar is het doel daarmee dichterbij gekomen?

    Spijtig genoeg niet. We waren weliswaar op goede weg. Vlaams Blok slaagde er immers in om stemmen bij de traditionele/staatsbehoudende partijen weg te halen. Eerst honderdduizenden bij de socialisten, maar later overtuigden we ook Christen-democraten en liberalen om zich achter ons uniek project te scharen. En dat is nu eenmaal hetgene dat Vlaamse onafhankelijkheid dichterbij kan brengen. Maar door verschillende omstandigheden (soms ook door eigen fout, ik geef dat grif toe) is daar een eind aan gekomen. Het ideale scenario zou geweest zijn dat N-VA die taak zou overnemen. Maar het draaide anders uit. N-VA is vooral en in de eerste plaats aan de haal gegaan met Vlaams Belang-kiezers. En dat is niet eens een verwijt van mijnentwege. Partijpolitiek heeft nu eenmaal zijn eigen wetmatigheden en werkwijzen. (ook weer spijtig genoeg) Maar een zeer pijnlijk gevolg hiervan zagen we in Antwerpen. Daar ging de N-VA licht achteruit ten voordele van… de traditionele/staatsbehoudende partijen. De uitspraak van Elio Di Rupo die ik gisteren citeerde, is in deze van essentieel belang.

    Dergelijke politieke fenomenen, de daaropvolgende tactieken van politieke partijen, verdienen m.i. enig bezinningswerk, ja ook introspectie. Dus, mijn schrijfseltje was geen kritiek, geen zuur, geen De Wever-bashing, maar een vriendelijke aanzet tot debat over Vlaams-nationale stilstand, een debat over waarheen met Vlaanderen ergo een vraag om in het belang van het doel zeer goed na te denken over de te volgen strategieën.

  • Aartsmoeilijk, maar voor wie?

    16.jpgMet dit ene woord gaf N-VA-voorzitter Bart De Wever aan dat de federale regeringsvorming geen ‘walk in the park’ zal worden. En eigenlijk ook dat er geen vanzelfsprekendheden zijn. Voor wie wordt het moeilijk. Voor de onderhandelende partijen of voor Bart De Wever, ergo de N-VA, zelf? Het is maar een hoogst persoonlijke analyse, maar wat denken jullie van het volgende…?

    Het probleem begint al op 25 mei jongstleden. Vergeet niet dat Bart De Wever ‘ne slimme’ is. Die avond beseft  hij dat zijn partij de verkiezingen verloren heeft. De N-VA was voor geen enkele regering ‘incontournable’ geworden. Op verkiezingsavond weet hij onmiddellijk dat het moeilijk, eigenlijk onmogelijk, zal worden op federaal vlak voor “verandering” te zorgen. Ook Elio Di Rupo heeft het ook door en verklaart: “er zitten eindelijk minder separatisten in de Kamer.” Bart weet meteen waar hij staat.

    Maar hoe leg je zoiets uit aan de kiezer? Met het resultaat dat de N-VA op 25 mei haalde, kan De Wever moeilijk aan de publieke opinie laten weten dat hij verloren heeft. Hij kan met het behaalde resultaat moeilijk tegen de kiezer zeggen dat het onvoldoende is, dat er de komende vijf jaar niets zal veranderen en dat ze de volgende keer nog massaler voor de N-VA moesten stemmen als men een echte ommekeer wilt. Recente politieke geschiedenis heeft immers bewezen dat zoiets niet onmiddellijk leidt tot succes.

    En het wordt alleen maar erger. In Wallonië klinken PS en CDH zich aan elkaar vast voor de vorming van de Waalse Gewestregering, de Franse Gemeenschapsregering en de Brusselse Gewestregering. Een sterke poging van het duo Di Rupo-Magnette om de poort naar de federale regering open te breken. Bart beseft dat hij moet handelen. Als er nu één zaak is die de N-VA heeft duidelijk gemaakt in de verkiezingscampagne, is dat een regering met de PS onaanvaardbaar is.

    De Wever handelt en schakelt met een hoge snelheid over naar plan B. Een Vlaamse regering met N-VA en CD&V en federaal in de oppositie. En in het begin lukt dat ook. De Wever ontdoet zich van zijn informateurschap en de CD&V hapt toe om een Vlaamse regering te vormen. Hij heeft wel een kleinigheid over het hoofd gekeken. Kris Peeters zat niet op de laatste rij toen ze de breintjes hebben uitgedeeld. Als uittredend Minister-President weet die drommels goed wat er de jongste vijf jaar is gebeurd. N-VA zat weliswaar in de Vlaamse regering, maar de partij heeft zich vijf jaar aan een stuk in de publieke opinie kunnen profileren als dé oppositiepartij. De helft van Vlaanderen wist niet eens meer dat de N-VA wel degelijk in de regering zat. En met resultaat. Geen ezel zijnde, denkt Peeters in zichzelf: “Dit lapt De Wever mij geen tweede keer.”

    De druk wordt opgevoerd en na een korte pauze komt er een Vlaamse regering met N-VA, CD&V en Open-VLD, maar vooral met het engagement van de drie partijen om als een soort ‘driepoot’ naar de federale regeringsonderhandelingen te gaan. (want zou dat niet de reden van de rel geweest zijn tussen CD&V en N-VA op het einde van de onderhandelingen?) Zo kort voor de landing van een Vlaamse regering beseft Bart dat hij even geen kant meer op kan. Hij weet zeer goed dat hij in dit stadium de Vlaamse onderhandelingen niet meer kan opblazen zonder dat dit electorale consequenties heeft.

    De gevolgen zijn niet leuk. De Wever weet dat hij naar federale onderhandelingen moet waar hij, aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niets kan binnenhalen voor zijn partij. Wat gaat de kiezer daar van zeggen?

    Dit risico wil De Wever niet lopen. “Run, Forrest, run,” is de enige mogelijkheid. Bart moet zich zo snel mogelijk uit de voeten maken. Maar ook dat kan niet zonder een verklaring aan de kiezer. Dus, moet hij het pad naar de exit beginnen effenen. “Hallo, Dirk Van den Bogaert. Heb je geen interesse in een kort interviewke over de federale regeringsvorming nu iedereen eerst nog twee weken vakantie neemt?” De journalist hapt toe en daar is het “aartsmoeilijk”-interview.

    En hier zijn we nu beland. Zal het lukken? Dat is vooralsnog koffiedik kijken. Het wordt dus aartsmoeilijk. Aartsmoeilijk om een federale regering te vormen die rekening houdt met de belangen van Vlaanderen als ze hun besparingen doorvoeren, aartsmoeilijk voor Kris Peeters om de N-VA aan de ‘driepoot’ vast te houden, aartsmoeilijk voor Bart De Wever om zijn vlucht re realiseren zonder kleerscheuren tegenover het electoraat.

  • Wouter Jambon heeft één punt,… maar zit er voor het overige naast

    Universiteit.jpgVerrassend. Dat dacht ik toen ik de mening van KVHV-praeses, Wouter Jambon, las. Als ik de jongeman over elitevorming aan de universiteit hoor spreken, heb ik weliswaar het gevoel dat hij meer thuishoort in de Vlaamse Beweging ten tijde van Jan-Frans Willems, dan in die van de 21ste eeuw. Ik ben er de jongste jaren immers steeds meer van overtuigd geraakt dat de elite van Vlaanderen vooral jongeren zijn die BSO of TSO hebben genoten. Om o.a. die reden ben ik ook tegenstander van het Masterplan voor de hervorming van het Secundair Onderwijs. Een opwaardering van het BSO en TSO-onderwijs is nodig. Niet de afschaffing van de zogenaamde schotten. Vooral de ouders van onze kinderen moeten duidelijk gemaakt worden, dat het voor een mooie toekomst niet enkel in het ASO en aan de universiteit te doen is.

    En daar heeft Jambon junior wel gelijk. In de strijd voor de zogenaamde democratisering van het onderwijs is de slinger volledig naar de andere kant doorgeslagen. Daar waar het eigenlijk de bedoeling was dat elk kind dezelfde kansen moest hebben om hoger onderwijs aan te vatten, leeft nu het dogma dat elk kind naar de universiteit moet. Ik sta nog altijd achter de basisbedoeling. Daarom verzet ik me bv. tegen de verhoging van het inschrijvingsgeld aan de universiteiten. Het – in vergelijking met andere landen – lage inschrijvingsgeld en het systeem van studiebeurzen vanuit de overheid, heeft er voor gezorgd dat er heel wat toppers zijn afgestudeerd, die in andere omstandigheden nooit aan hoger onderwijs zouden zijn begonnen. Zelfs in het publieke leven zijn de voorbeelden daarvan legio.

    Maar we moeten inderdaad af van dat dogma dat iedereen dan maar naar de universiteit moet. Ten eerste zorgt de enorme toename van studenten en het niet-volgen van de hiervoor nodige middelen dat de werking van onze universiteiten onder een enorme druk komt te staan. Je mag niet vergeten dat een universiteit niet enkel een onderwijsinstelling is, maar ook – en even belangrijk – een onderzoeksinstelling. Meer middelen nodig voor het onderwijsluik, betekent minder onderzoek.

    Ten tweede is er de kost van de schare studenten die hoger onderwijs aanvatten, maar nooit een diploma halen. Het inschrijvingsgeld is niet kostendekkend. De kost van een student aan de overheid is een veelvoud van dat bedrag. Om dan nog te zwijgen over de kost voor de ouders.

    Ten derde is er het probleem van de nivellering. Universiteiten en Hogescholen krijgen ondermeer een bedrag per student uit hun overheidsfinanciering. Gelet op de financieel moeilijke situatie en onder het motto dat elke euro er één is, zal een universiteit niet echt geneigd zijn veel studenten reeds na één jaar te laten uitstromen. Hoe hou je er dan zoveel mogelijk aan boord? Inderdaad.

    Dit maakt dat dit specifiek aspect dat Jambon heeft aangehaald, één van de redenen is waarom ik van mening ben dat de financieringswijze door de overheid van onze universiteiten en hogescholen moet herzien worden. Subsidies afhankelijk maken van het aantal studenten is even fout als quota opleggen voor wetenschappelijke publicaties. Hogescholen en universiteiten verdienen van de Vlaamse overheid meer vertrouwen, ergo autonomie.

    Nog een kort woordje over het idee van Antwerps rector Verschoren om bedrijven meer te laten betalen voor het inschrijvingsgeld van studenten. Ik ben daar geen voorstander van. Het focust te veel op universiteiten als een fabriek die gediplomeerden op de arbeidsmarkt brengt. Ten tweede en dat is een terechte opmerking van het bedrijfsleven, is het voor iedereen financieel moeilijk. En ten derde is er in zo’n systeem geen gegarandeerde return voor het bedrijfsleven. Een betere oplossing kan het laten varen van de schroom inzake het bestellen van studies door het bedrijfsleven zijn. Dat kan een belangrijke bron van inkomsten worden voor de universiteit en hogescholen. In het argument dat dit zou leiden tot studies ‘à la tête du client’ geloof ik niet. Een goede controle kan dit perfect opvangen.

  • Zwarte Piet als symbool van de vrijheid

    zwarte piet.jpgMet de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank over de Sinterklaasintrede, woedt de discussie over Zwarte Piet weer in alle hevigheid. Volgens de rechtbank zou het verder bestaan van Zwarte Piet beledigend zijn voor zwarte mensen. Enfin, mijn grootvader zaliger zou tevreden zijn nu de ‘zwarten’ niet meer mogen beledigd worden. Het was ooit anders.

    Maar alle gekheid op een stokje, niet gehinderd door enige kennis van cultureel immaterieel erfgoed, offeren bepaalde sujetten zonder verpinken een zeer oude en mooie traditie op het altaar van de politieke correctheid. En het erge is dat dit geen alleenstaand feit is. Eigenheid moet onder het mom van de tolerantie verdwijnen. Eigenheid zou volgens de herauten van de verdraagzaamheid immers aanstoot kunnen geven aan al die verschillende culturen die onze samenleving komen verrijken. Dat hun houding vooral een culturele verarming inhoudt, blijken deze jongens en meisjes niet te beseffen. Of het interesseert hen niet.

    Maar waar dit geval ook over gaat is vrijheid. Paus Emeritus Benedictus XVI liet in het boek ‘licht van de wereld’ in 2010 optekenen: “In naam van de tolerantie wordt alle tolerantie afgeschaft – dat is de echte bedreiging waarvoor wij ons geplaatst zien.” Hij heeft gelijk. Het probleem is echter dat het merendeel van de bevolking dit niet eens beseft.

    Het besef is immers verdwenen dat doorheen de geschiedenis voor die vrijheid en rivieren van bloed zijn gevloeid zoals wijlen Prof. Fortuyn het steeds weer herhaalde. Maar in de ogen van de meeste mensen is vrijheid zo vanzelfsprekend geworden dat men niet eens door heeft, wanneer die vrijheid wordt aangetast. De Westerling is vadsig geworden en gaat er van uit dat die duur bevochten vrijheid nooit zal verdwijnen. In de hoorn des overvloed waarin de Westerling leeft, heeft hij het immers te druk met kiezen. Kiezen waarheen de reis dit jaar weer gaat, of er al dan niet een extra tablet voor de kinderen moet worden aangekocht, welk merk van t-shirt hem het best staat,... Bij dergelijke zaken is het al dan niet verder bestaan van Zwarte Piet maar een detail.

    Maar door die vadsigheid gaan we van detail tot detail naar een steeds intolerantere en minder vrije samenleving. Want niemand durft blijkbaar op te staan en van Zwarte Piet een symbool van de vrijheid te maken.